In het Parijse blad Notre Voix verschijnt op 15 april 1920 het verhaal 'L'évadé' (De voortvluchtige). Het is een voorpublicatie uit de autobiografische roman Moi quelque part, die drie maanden later in Brussel van de persen zal rollen en dan alleen bij voortekening beschikbaar is. Georges Eekhoud, een van de belangrijkste Belgische schrijvers van zijn tijd, zal het voorwoord schrijven.
In Moi quelque part doet André Baillon, die met het boek zal debuteren, het relaas van zijn tweevoudige verblijf in het Kempense Westmalle, op goed twintig kilometer van Wortel en Merksplas. Een eerste keer verblijft hij er van 1903 tot 1905, en opnieuw in 1907. Baillon wil er in alle rust gaan schrijven.
'De voortvluchtige' doet het relaas van een ontmoeting tussen Baillon en een uit de rijksweldadigheidskolonies ontsnapte landloper. Het is voor Baillon aanleiding om zijn gal te spuien over de manier waarop het rijke België met zijn armen omgaat:
Ik zou er geen eed op durven te doen, maar ik geloof dat ze het Weldadigheidskolonies noemen.
Het is hier niet zo ver vandaan, achter de heide en de bossen, de kant van Nederland op.
Aangezien ze niets deden, deden ze ook niemand kwaad.
Ze hielden hun hand op.
Ze wisten niet dat geboren worden ook een aantal plichten met zich brengt.
Ze hadden geen beroep. Konden ze leven?
Ze verkochten niets. Het waren priesters noch soldaten. Zelfs geen bankiers of schoorsteenvegers.
Ze waren van niet meer of niet minder nut dan de leeghoofdige miljonairszonen die met gretige handen in bordelen rondhangen.
Ze hadden geen geluk.
Het was niet hun schuld dat ze zich niet aan een rijkelijk gedekte tafel konden bezatten aan lekker schuimend vocht dat in schoongespoelde glazen wordt geschonken.
Ze konden niet, zoals die heren, hun lippen op een geparfumeerde hals drukken en fluisteren: 'Ik verlang naar je', en hun meiden schaamden zich er niet voor allemanshoeren te zijn.
Ze zwierven langs wegen; ze sliepen in schuren. Ze hadden hun hele hart nodig om te houden van het stro dat warm houdt, van een steen als die niet te hard is, misschien van een hond.
Ze droegen hun hele hebben en houden op hun rug en hadden niet altijd het muntstukje waarmee je een gendarme kunt bewijzen dat je een onderkomen kunt betalen en dat je, ondanks je blote voeten, een fatsoenlijk man bent.
Daarop heeft een rechter hun gezegd: 'Eén jaar. Drie jaar. Zeven jaar.'
'Maar, meneer...'
'Het is goed. U kunt gaan.'
Ze hoefden niet eens te gaan: ze werden geduwd, ze werden in wagens gestopt, en staande in een kooi hebben ze de lange reis gemaakt. Ze hebben dit land gezien en later weergezien, en ook deze heide, deze bossen, waar het misschien goed leven zou zijn als er minder muren en niet zoveel tralies waren.
Baillon vertelt hoe hij de man te eten geeft en hem verborgen houdt wanneer twee gendarmes te paard zijn boerderij passeren. Wie is hij om vragen te stellen, bedenkt hij. De schrijver, die zelf een groot deel van zijn leven in psychiatrische instellingen zal doorbrengen, oordeelt niet. Hij beseft dat de man uit de kolonies komt, en helpt hem.Hij geeft hem wat brood mee, tabak en zelfs een pijp. Dan is de man weer weg. Baillon blijft alleen met zijn gedachten achter.
Tralies zijn nuttig, nietwaar, en ook grendels, en ook bewakers die je, met hun handen op hun rug, nietsdoend laten zien hoe je godverdomme werken moet wanneer je geen revolver aan je riem hebt hangen en geen laarzen draagt waarmee je iemand een schop voor zijn kont kunt verkopen. Van de weg af kunnen zij die vrij rondlopen hen zien. Opdat iedereen zou weten dat ze minder dan een mens zijn, is hun hoofd kaalgeknipt, zijn hun wangen gladgeschoren, is hun een kazak omgehangen waarvan de gele strepen al van ver te zien zijn.
'Halve draai rechts! Halve draai links! Halt! Sta! Ze draaien, draaien terug, houden halt, de oudjes wier handen beven, de jongeren die hun tijd echt wel anders zouden kunnen besteden. Ze vullen kruiwagens met aarde, kiepen die om, vullen ze opnieuw. Met een houweel graven ze diepe kuilen in het zand, kuilen die nergens toe dienen en die ze met ander zand weer dichtmaken.
Een jaar lang, drie jaar lang, zeven jaar lang werken ze, tot ze weer voor de rechter staan en opnieuw beginnen.
Zo leren ze dat je moet houden van je taak; van de mensen die je als een baksteen hebben laten vallen; van je thuis, waar het goed is onder de lamp te zitten, dicht bij je vrouw die borduurt en je kind dat lacht.
Het gebeurt dat een van hen achterblijft. Hij springt in een van die diepe kuilen, die plots ergens toe dient. Zijn makkers zeggen niets. Hij hoort hen weggaan, hij hoort de zware poort dichtklappen...zonder hem.
Vrij! Hij is vrij! Vrij als de wolven om 's nachts door de bossen te sluipen, of voor dag en dauw, wanneer de bewakers nog met hun vrouw liggen te flikflooien. Hij slaapt in greppels. Een leven, een leven zou hij geven om een kiel te kunnen aantrekken die de gendarmes niet langer de woorden zou ontlokken: 'Hé! Hé! Wild voor ons, onder die struik daar!'
Wanneer hij honger krijgt, waagt hij zich tot op een dorpel, niet een van die grote waarvan je de treden moet tellen, maar de eenvoudigere, die van de achterdeur, waar mensen wonen die een beetje zijn zoals hij, die zich er niet over verbazen dat je kaalgeschoren bent en gele strepen over je kazak hebt.
Ze geven hem brood opdat hij ervan zou eten...te drinken omdat hij dorst heeft.
'God zij met u.'
En dat kan die drommel echt wel gebruiken.

Reacties
Een reactie posten